|
|
Vragen over vetpercentage
Hoe betrouwbaar is een vetpercentagemeting?
Het meest betrouwbaar is een onderwatermeting, maar die is onhandig, duur en slechts op een paar plekken in Nederland uit te voeren.
Met de huidplooimeter kun je redelijk betrouwbaar een analyse maken van het verloop van iemands vetpercentage. Dan moet de meting wel elke keer door dezelfde persoon gedaan worden en of je het na een training laat doen of niet, heeft ook invloed op de meting. Nadeel is dat je shirt uit moet en dat je zelf de meting niet kunt doen…
De vetpercentagemeting op de weegschaal is een betrouwbaardere methode dan een vetpercentageknijper. Bij de meting gaat er via je voeten een heel klein stroompje door je lijf dat de weerstand meet. De weerstand die gemeten wordt, is een maat voor de hoeveelheid vet in je lichaam. Hoe groter de weerstand, des temeer vet! De meting is het betrouwbaarst wanneer ze steeds op dezelfde weegschaal op dezelfde tijd wordt uitgevoerd, het best tussen 18.00 en 20.00 uur. Verstorende factoren zijn zweetvoeten en de vraag of je getraind hebt. Bij een vetpercentage van meer dan 35 procent is de meting minder nauwkeurig. De meting op een weegschaal kan ondanks de onnauwkeurigheid toch nuttig zijn, want wanneer je meerdere metingen op een rijtje hebt staan, kun je in elk geval een tendens zien. Wanneer je wilt afvallen, gaat je vetpercentage als het goed is naar beneden.
Wanneer, wat en hoe?
Wanneer je niet te zwaar bent en toch een paar kilo wilt afvallen omdat je dat mooier vindt of gunstiger voor je sportresultaten, is het een goed idee om je vetpercentage in de gaten te houden. Voor mannen is het niet verstandig om beneden de acht procent uit te komen en vrouwen wordt aangeraden hun vetpercentage boven de achttien te houden. Een weegschaal met vetpercentagemeting is echter niet zo betrouwbaar. Het is beter om een huidplooimeting te laten doen door iemand die daar ervaren in is. Wanneer je toch afhankelijk bent van de weegschaal met vetpercentagemeting, realiseer je dan dat het vetpercentage het meest betrouwbaar is wanneer je het tussen 18.00 en 20.00 uur meet en niet gesport hebt.
BMI en vetpercentage
Door je bmi te bepalen kun je ook zien of je wel of niet te zwaar bent. Het nadeel is dat het je niks vertelt over je vetpercentage. Een sporter met veel spieren kan helemaal strak in zijn vel zitten en toch een hoge bmi-waarde hebben. Andersom kan ook goed: iemand met een lage bmi-waarde kan een te hoog vetpercentage hebben. Mensen die trots zijn op het feit dat ze al twintig jaar hetzelfde gewicht handhaven, moeten eigenlijk eens hun vetpercentage (laten) meten. Wanneer je ouder wordt, verlies je namelijk spieren en dus stijgt je vetpercentage bij een gelijk blijvend gewicht.
Waarom kan je vetpercentage dalen als je meer gaat eten?
Wanneer je tijden lang te weinig hebt gegeten, zal je lichaam geen energie stoppen in het aanmaken van spieren. Alle energie wordt dan verbruikt om je lichaam in stand te houden. Maar als je dan meer gaat eten, is de rem eraf en kan je lichaam meer energie besteden aan bijvoorbeeld de opbouw van spieren. Hierdoor stijgt je lichaamsgewicht. Maar je vetmassa hoeft niet meteen mee te groeien. Je hebt dus dezelfde hoeveelheid vet bij meer gewicht. Daardoor zal je vetpercentage dalen.
|
|